Het archief van de SVFH
U vindt hier alle nieuwsberichten en artikelen. Klik op een datum om het bericht te lezen.
Het verhaal van Meram Mehedin
(publicatie: 21 jan. 2007)
Door Jeannette van Bodegraven
Addis Abeba – Soms kom je iemand tegen die een onuitwisbare indruk maakt. Meram Mehedin had dat effect op mij. Meram is een Ethiopische vrouw van 25 jaar, klein van stuk, misschien 1.50 lang; haar schoenmaat is ongeveer gelijk aan die van mijn oudste zoon (van 8 jaar). Ik ontmoette Meram in Gondar, een stad in het noorden van Ethiopië. We hadden een afspraak voor een interview. Toen ik mijn hand uitstak om haar te groeten, reikte ze me haar pols. Een teken van onreinheid, ze vond haar hand te vies om aan te laten raken door anderen. Meram is een van de vele vergeten fistel patiënten. We zaten op een muurtje in de late avondzon, en Meram vertelde haar verhaal:
“Ik was 19 jaar toen ik zwanger werd van mijn eerste kind. Mijn man stierf tijdens mijn zwangerschap, maar ik kon bij mijn oom wonen. Toen de baby zich aankondigde trok ik mij terug in de toekel (traditionele hut), samen met mijn tante en een traditionele vroedvrouw. Ik had wee na wee na wee, maar de baby kwam niet. Mijn oom wilde me naar het ziekenhuis brengen, hij had al een brancard gemaakt waarmee vier sterke mannen me zouden dragen. Maar de anderen besloten dat het beter was om de geesten te smeken me te helpen. Na vijf dagen beviel ik van een dood kindje, ik weet niet of het een jongen of een meisje was.
Omdat ik zo zwak was, moest ik naar het ziekenhuis in Gondar. Ik ben er een maand gebleven. In het ziekenhuis merkte ik dat ik mijn plas niet kon ophouden. Ze vertelden me dat er een ziekenhuis is in Addis Abeba waar ze me kunnen helpen. Maar ik kan de reis niet betalen, want ik heb al mijn spaargeld besteed in het ziekenhuis: 500 birr (= 50 euro). De openbare bus kan ik wel betalen, maar de chauffeurs laten me niet meegaan. Ik stink.
Nu woon ik bij een familielid in Gondar. Ik was de kleren van andere mensen om geld te verdienen. Ik kom haast nooit buiten. Ik heb geen vrienden. Misschien zal ik ooit genezen van deze kwaal. Het eerste wat ik dan doe? Koffie drinken met andere mensen!”
Tijdens ons gesprek zat ik dicht naast Meram, af en toe legde ik een hand op haar knie. Ze reageerde er niet op. Maar na het interview pakte ze mijn hand met beide handen en lachte. Ze had al heel lang niet meer met andere mensen gesproken.
Terug in Addis nam ik contact op met het Fistula Hospital. Meram kon terecht bij de satelliet van het ziekenhuis in Bahir Dar. Dat is een reis van 150 kilometer in plaats van 600 naar Addis. Een plaatselijke organisatie zou het vervoer voor zijn rekening nemen, het Fistula Hospital geeft eten en onderdak, en geeft geld voor de terugreis. Alles zou goed komen voor Meram…
Toen kreeg ik telefoon. Alle 24 fistel patiënten die in de satelliet in Bahir Dar waren opgenomen, waren geopereerd. Allemaal, behalve een: Meram. Het was duidelijk geworden dat Meram onder behandeling was van een toverdokter uit Gondar. Ze was er van overtuigd geraakt dat ze vervloekt was, dat ze bezeten was door de duivel. De toverdokter moest haar van de vloek verlossen, en ze durfde zich niet te mengen in het proces. Misschien zou de duivel nog kwader worden als zij zich liet opereren?
Vanwege haar waanideeën kon Meram niet worden geopereerd in de satelliet ziekenhuis. Daar worden patiënten verdoofd met een ruggenprik, en Meram zou de operatie bewust meemaken. Na zes jaar eenzaamheid, alleen gelaten met haar eigen gedachten, was ze zo in de war geraakt dat ze misschien verkeerd zou reageren tijdens de operatie. Het risico was te groot.
Meram werd vervolgens naar Addis Abeba vervoerd en daar onder volledige narcose geopereerd. Na de operatie werd een nieuwe Meram wakker, een Meram die genezen was en niet kon stoppen met lachen.
Het verhaal van Meram is niet uniek. Er zijn veel meer meisjes zoals zij. Gelukkig komt het steeds minder vaak voor dat meisjes jarenlang met hun obstetrische fistel rondlopen, weggestopt in een hoekje van hun sociale omgeving, zonder aanspraak en afleiding. Wie zou daar niet psychisch onder gaan lijden?
Meram is zes jaar alleen geweest, veel te lang. Gelukkig hebben we haar ontdekt en konden we haar helpen. Haar verhaal laat zien dat een obstetrische fistel niet alleen een lichamelijke aandoening is. Er komt veel psychisch leed bij kijken. En dat repareer je niet met een technische operatie. Daar is aandacht, medeleven en steun voor nodig. Meram kreeg dat in het Fistula Hospital, niet alleen van de ziekenhuisstaf maar ook van haar medepatiënten.
Ik wens Meram een gelukkig leven toe. Ik hoop dat haar eerste kopje koffie met vrienden lekker heeft gesmaakt.
Jeannette van Bodegraven was bestuurslid van de Stichting Vrienden van het Fistula Hospital, tot 2007. Ze woonde en werkten in Addis Abeba van 2004 tot 2007.





